Amersfoort na de verkiezingen: geen afrekening, maar een bijstelling van koers

door Chris Mooiweer
24 maart 2026om 12:47u

Het tweede parkeerreferendum is achter de rug. En opnieuw is het verleidelijk om de uitslag te lezen als een afrekening met het parkeerbeleid. Immers, de partijen die zich daar het felst tegen keerden — KeiHart en Amersfoort voor Vrijheid — boekten de grootste winst en claimen het mandaat van “de kiezer”. 

Toch is dat beeld niet compleet.

De uitslag is minder eenduidig dan zij op het eerste gezicht lijkt. Naast de winst van KeiHart en AVV staat namelijk het beperkte verlies van de partijen die het meest expliciet achter het huidige beleid staan: GL/PvdA en D66. Die partijen hebben standgehouden, ondanks dat zij — en met name D66 — in de campagne nadrukkelijk het gezicht waren van het parkeerbeleid.

Sterker nog: vooraf verwachtte het anti-parkeerblok een veel grotere verschuiving. Oprichters van KeiHart spraken hardop over 10 zetels en na zijn kandidaatstelling schreef de nummer 9 op sociale media: “Er is dus een grote kans dat ik na 18 maart in de raad zit.” D66 zou gedecimeerd worden. In dat licht is het resultaat voor hen moeilijk anders te zien dan als een teleurstelling: de meest uitgesproken tegenstanders komen samen op negen zetels, terwijl GL/PvdA en D66 samen twaalf halen.

Daar komt bij dat D66 (en PvdA/GL) voor het eerst te maken kreeg met directe electorale concurrentie van Volt, dat op een haar na een zetel haalde en waarschijnlijk juist bij D66 stemmen weghaalde. Ook dat nuanceert het beeld van verlies.

Als het verlies van de uitgesproken voorstanders beperkt is, betekent het dat de winst van de anti-parkeerpartijen vooral lijkt te komen uit het verlies van partijen die minder uitgesproken positie innamen, zoals CDA, ChristenUnie en Amersfoort2014, en in zekere zin ook de VVD, die nauwelijks weet te profiteren van de polarisatie op dit thema.

Als je niet alleen naar zetels maar ook naar absolute aantallen stemmen kijkt, wordt dat beeld nog duidelijker. De combinatie PvdAGL/D66/Volt haalt ongeveer hetzelfde aantal stemmen als de vorige keer. Ook het CDA blijft stabiel. De grootste verliezen in aantal stemmen zitten juist bij partijen als ChristenUnie, Partij voor de Dieren en SP, die het echter ook landelijk al enkele verkiezingen moeilijk hebben. Tegelijkertijd is de opkomst fors gestegen. Dat suggereert dat een belangrijk deel van de winst van KeiHart en AVV niet zozeer het gevolg is van een directe verschuiving van kiezers, maar van nieuwe kiezers die zijn komen opdagen.

Daarmee lijkt de dynamiek van deze verkiezingen minder die van een directe afrekening met de voorstanders van het beleid, en meer die van een verschuiving vanuit het weifelende midden gecombineerd met een mobilisatie van nieuwe kiezers.

De conclusie is dan ook dat de koers van de stad niet is weggevaagd, maar ook niet onomstreden is gebleven.

Dat is relevant, omdat politieke duiding vaak blijft hangen in winnaars en verliezers. Maar uiteindelijk gaat het om draagvlak. Een partij die groeit van één naar drie zetels, vertegenwoordigt nog steeds minder kiezers dan een partij die van zes naar vijf gaat. Groei zegt iets over momentum, maar omvang zegt iets over legitimiteit.

Ook in dat licht is de hogere opkomst van belang. Die lag met circa 66 procent aanzienlijk hoger dan vier jaar geleden. Deze verkiezingen hebben het electoraat geactiveerd. Dat betekent dat de uitslag niet het gevolg is van apathie, maar juist van betrokkenheid. En daarmee geldt ook dat elke meerderheid die hieruit voortkomt, democratisch gelegitimeerd is.

Wat deze verkiezingen laten zien, is dus geen simpele afrekening, maar een bijstelling: er is kritiek op de koers, maar geen duidelijke meerderheid voor een nieuwe richting voor de stad.

Daar komt bij dat de aandacht voor parkeren (en aanpalende ruimtelijke thema’s) bij de verkiezingen alle zuurstof uit het debat zoog. Onderwerpen als zorg, armoede en opvang speelden nauwelijks een rol, maar zullen in de formatie wel degelijk zwaar wegen. Dat maakt het vormen van een nieuwe coalitie nog ingewikkelder dan de zetelverdeling op het eerste gezicht doet vermoeden.

De echte vraag achter het debat: hoe groeit de stad?

Die bijstelling zit niet in één maatregel. Parkeren was vooral de zichtbare manifestatie van een fundamenteler vraagstuk: hoe groeit Amersfoort, en onder welke voorwaarden?

Dat vraagstuk wordt concreet op een paar plekken in de stad: Langs Eem en Spoor, De Hoef en Bovenduist. Daar moet een groot deel van de woningbouw worden gerealiseerd. Met name op Langs Eem en Spoor en in De Hoef worden de keuzes uit het debat concreet.

En daar wordt ook zichtbaar waarom het parkeerbeleid zo’n centrale rol speelde. Wie hier veel woningen wil bouwen, ontkomt niet aan hogere dichtheden, minder ruimte voor parkeren en een andere inrichting van de openbare ruimte. Parkeren is daarmee geen los dossier, maar een randvoorwaarde binnen een groter systeem van woningbouw, mobiliteit en ruimtegebruik.

Daar zit de werkelijke breuklijn in de politiek van Amersfoort. Niet tussen “wel of geen betaald parkeren”, maar tussen verschillende opvattingen over hoe de groei van de stad georganiseerd moet worden. Aan de ene kant partijen die inzetten op verdichting en het actief herverdelen van ruimte. Aan de andere kant partijen die kritischer zijn op die ontwikkeling en meer nadruk leggen op bestaande structuren en de positie van de auto.

De sleutelpartijen in de formatie

Niet alle partijen bevinden zich aan één van beide uitersten. Juist in het midden zit de sleutel van deze formatie.

CDA, ChristenUnie en Amersfoort2014 accepteren alle drie dat de stad moet groeien en dat die groei landt op de bekende ontwikkellocaties. Daarmee onderschrijven zij impliciet het model waarin Amersfoort de komende jaren verder verdicht. Maar tegelijk stellen zij elk op hun eigen manier grenzen aan hoe dat gebeurt.

Amersfoort2014 legt het accent vooral op de manier waarop besluiten tot stand komen. De partij accepteert dat er gebouwd moet worden, maar wil dat de uitwerking veel sterker samen met bewoners plaatsvindt. Daarmee worden niet alleen plannen, maar ook randvoorwaarden zoals parkeerbeleid onderwerp van gesprek. De spanning zit hier in het feit dat een wijkgerichte aanpak lastig te combineren is met de harde randvoorwaarden die nodig zijn om op grote schaal woningen te bouwen.

Het CDA kiest een andere positie. De partij accepteert de ontwikkellocaties en de woningbouwopgave, maar wil niet verder in de uitbreiding van vergunningparkeren. Tegelijk wordt bestaand beleid niet teruggedraaid. Daarmee probeert het CDA het model te begrenzen zonder het ter discussie te stellen. Dat lijkt een middenpositie, maar betekent in de praktijk dat nieuwe stappen moeilijker worden, terwijl de bestaande koers grotendeels blijft staan.

De ChristenUnie zit inhoudelijk weer dichter bij het verdichtingsmodel. De partij accepteert dat parkeermaatregelen nodig kunnen zijn om woningbouw mogelijk te maken en heeft een mobiliteitsvisie waarin lopen, fietsen en openbaar vervoer prioriteit hebben. Tegelijk stelt ook de ChristenUnie nadrukkelijk eisen aan draagvlak en zorgvuldigheid. Daarmee ondersteunt zij de richting van het model, maar wil zij de toepassing ervan blijven toetsen.

Juist omdat deze drie partijen het model niet afwijzen, maar ook niet onbegrensd willen doorzetten, zijn zij bepalend. Zij vormen geen alternatief blok, maar bepalen hoeveel ruimte er is om het bestaande beleid voort te zetten, te begrenzen of aan te passen.

Zij zijn daarmee de scharnierpartijen. Zonder hen is er geen stabiele meerderheid te vormen. En met hen moet altijd een balans worden gevonden tussen doorgaan, begrenzen en aanpassen.

Precies daarom ligt de kern van de formatie niet in de vraag welke partijen samen een meerderheid kunnen vormen, maar in de vraag welke combinatie van partijen het eens kan worden over de manier waarop de stad zich verder ontwikkelt.

Vier breuklijnen die de formatie bepalen

De verschillen tussen partijen lopen langs vier lijnen die steeds met elkaar samenhangen.

De eerste is parkeren en mobiliteit. Voor D66 en GL/PvdA is parkeerregulering een noodzakelijk onderdeel van verdichting. VVD en KeiHart willen dat beleid juist terugdraaien. CDA en ChristenUnie willen vooral niet verder uitbreiden. Amersfoort2014 zit daar tussenin: kritisch op het huidige beleid, maar niet blind voor maatwerk.

De tweede lijn is woningbouw. Vrijwel iedereen wil bouwen, maar de vraag is onder welke voorwaarden. Hoe dicht bouw je, waar bouw je, hoeveel ruimte krijgt de auto en stuur je actief op gedrag en ruimtegebruik?

De derde lijn is het sociaal domein. Daar zit een minder zichtbare, maar wel belangrijke tegenstelling tussen een beschermende rol van de overheid en een soberder benadering.

De vierde lijn is AZCs. Hier spelen niet alleen verschillen over uitvoering, maar ook over principes: hoeveel verantwoordelijkheid neem je als stad en hoe sta je tegenover asiel?

Deze vier lijnen komen in elke mogelijke coalitie op een andere manier samen.

Welke coalities liggen op tafel?

GL/PvdA + D66 + CDA + ChristenUnie + A2014 (20 zetels)

Dit is inhoudelijk de meest logische en bestuurbare coalitie. De reden is niet dat er geen spanning is, maar dat de spanning zich hier in hoofdzaak concentreert op het ruimtelijke domein, en daar bovendien binnen hetzelfde ontwikkelingsmodel blijft.

Alle partijen in deze coalitie accepteren de grote ontwikkellocaties en daarmee de basis van de woningbouwopgave. Er is dus geen fundamenteel conflict over de vraag óf de stad op Langs Eem en Spoor, in De Hoef en in Bovenduist verder moet groeien. Daarmee ontbreekt hier de diepere botsing tussen twee concurrerende stadsmodellen.

De spanning zit wel degelijk in de manier waarop dat model wordt uitgevoerd. D66 en GL/PvdA redeneren vanuit de systeemlogica van verdichting: als je op deze locaties veel woningen wilt bouwen, dan horen daar lagere parkeernormen, regulering en een andere verdeling van ruimte bij. Voor Amersfoort2014 ligt het accent veel meer op legitimatie, wijkinvloed en maatwerk. Het CDA en de ChristenUnie accepteren de bestaande lijn, maar willen niet verder in een logica van steeds verder uitbreidende parkeerregulering.

Dat is een serieus conflict, maar wel een conflict dat oplosbaar is, juist omdat alle partijen de basis van het model onderschrijven. Het meningsverschil gaat niet over de richting van de ontwikkeling, maar over de mate waarin de instrumenten daarvan automatisch en generiek worden toegepast. Daardoor is hier een compromis voorstelbaar waarin de grote woningbouwlijn overeind blijft, maar verdere stappen op het gebied van parkeerbeleid explicieter moeten worden gelegitimeerd en sterker afhankelijk worden van gebied, noodzaak en draagvlak.

Juist daarom is dit de meest bestuurbare coalitie. De spanningen spelen zich af binnen één gedeeld ruimtelijk kader en raken niet aan alle andere grote dossiers tegelijk. Op sociaal domein zitten hier geen fundamentele breuklijnen. GL/PvdA, CDA en ChristenUnie delen een beschermende opvatting van de stad, en Amersfoort2014 staat daar niet haaks op. Ook op AZC zijn er verschillen in nadruk en stijl, maar geen principiële tegenstelling die de coalitie opblaast. De enige echte potentiële breuklijn ligt hier dus in het ruimtelijke domein — en juist daar is zij met een compromis te organiseren.

GL/PvdA + D66 + CDA + VVD (20 zetels – eventueel aangevuld met CU of A2014)

Deze coalitie is inhoudelijk veel lastiger, omdat de spanning hier niet alleen op de uitvoering zit, maar ook op de richting van het verdichtingsmodel. Waar de variant met A2014 nog een coalitie is binnen één gedeeld ruimtelijk raamwerk, moet hier een veel fundamenteler verschil worden overbrugd.

VVD accepteert de woningbouwopgave, maar wil tegelijkertijd de positie van de auto versterken, parkeerbeleid terugdraaien en veel minder vanuit schaarste en herverdeling redeneren dan D66 en GL/PvdA doen. Daarmee raakt het conflict direct aan de kern van de ontwikkelingslogica van de stad. Op de grote bouwlocaties zijn de keuzes over dichtheid, parkeren en ruimteverdeling niet los van elkaar te maken. Wie de ene knop draait, raakt automatisch aan de andere.

Dat betekent dat deze coalitie op ruimtelijk gebied een structurele spanning in zich draagt. D66 en GL/PvdA willen een model beschermen waarin verdichting en mobiliteitssturing met elkaar samenhangen. VVD wil daar juist op ingrijpen. Het CDA komt daardoor in een veel ongemakkelijker positie dan in de coalitie met A2014. Daar kon het CDA begrenzen binnen een gedeeld model; hier moet het telkens kiezen tussen twee richtingen.

Maar juist op het sociaal domein wordt deze coalitie minstens zo spannend. GL/PvdA wil nadrukkelijk een beschermende sociale stad, met een actieve rol voor de gemeente bij zorg, bestaanszekerheid en het tegengaan van ongelijkheid. VVD trekt veel sterker richting een sober bestuur, met meer nadruk op eigen verantwoordelijkheid, orde en beperking van overheidsingrijpen. Het CDA zit daar niet neutraal tussenin, maar heeft zelf ook een duidelijke sociale en maatschappelijk ingebedde visie op de stad. Dat betekent dat het CDA in deze coalitie niet alleen ruimtelijk, maar ook sociaal voortdurend moet bemiddelen tussen twee uiteenlopende benaderingen.

Daar komt het AZC-dossier als extra spanningsveld bij. Ook daar zitten de verschillen niet alleen op uitvoering, maar op normatieve uitgangspunten. VVD legt veel zwaarder de nadruk op draagvlak en begrenzing, terwijl GL/PvdA nadrukkelijker vanuit stedelijke verantwoordelijkheid redeneert. CDA zal ook hier in het midden moeten opereren, maar opnieuw geldt dat het midden hier niet een gedeeld vertrekpunt is, maar een wankel evenwicht tussen tegenstellingen.

Deze coalitie is dus niet onmogelijk, maar wel zwaarder belast dan de vorige. Anders dan bij de coalitie met A2014, zitten hier op alle grote dossiers spanningen. Het ruimtelijke conflict is bovendien tamelijk fundamenteel, en daarom is deze coalitie inhoudelijk veel moeilijker stabiel te krijgen.

KeiHart + VVD + CDA + Amersfoort voor Vrijheid + A2014 + ChristenUnie (21 zetels)

Dit is de breukcoalitie. Zij brengt de scharnierpartijen samen met de partijen die zich het felst tegen het huidige parkeer- en mobiliteitsbeleid hebben gekeerd. Daarmee is dit de variant die het meest expliciet wil breken met de lijn van de afgelopen jaren. Maar juist daardoor wordt ook het meest zichtbaar waarom deze coalitie inhoudelijk zo moeilijk ligt.

Wat deze partijen bindt, is in de eerste plaats een gedeelde kritiek. Zij delen onvrede over het parkeerbeleid, over de manier waarop ruimtelijke keuzes de afgelopen jaren zijn doorgezet en over een bestuursstijl die als te top-down wordt ervaren. Dat is politiek relevant en geeft deze coalitie een zekere samenhang.

Maar die samenhang is vooral negatief van aard. Zodra de vraag wordt wat het alternatief is, beginnen de verschillen. En die verschillen zitten niet alleen tussen de scharnierpartijen en de anti-parkeerpartijen, maar ook binnen dat anti-parkeerblok zelf.

De eerste grote spanning zit op de woningbouwopgave en het onderliggende stadsmodel. CDA, ChristenUnie en Amersfoort2014 accepteren in feite allemaal de hoofdstructuur van de woningbouwvisie van de stad. Zij erkennen de grote ontwikkellocaties en de noodzaak om daar veel woningen toe te voegen. Hun kritiek zit op de grenzen en de uitvoering, niet op het bestaan van die opgave zelf.

Daar tegenover staan partijen die in meerdere of mindere mate juist afstand nemen van die logica. KeiHart doet dat het explicietst, door te suggereren dat er misschien simpelweg minder gebouwd moet worden. Dat is in zekere zin het enige echte alternatief dat in deze hoek zichtbaar wordt: niet dezelfde opgave anders uitvoeren, maar de opgave zelf relativeren. Alleen is dat meteen ook een probleem voor CDA, ChristenUnie en A2014, omdat die partijen die woningbouwopgave nu juist wél erkennen.

VVD en AVV zijn daar minder expliciet in, maar ook zij leveren geen helder alternatief model aan. Zij zeggen niet: dan bouwen we elders, of dan kiezen we voor een ander ruimtelijk patroon, of dan accepteren we dat we het groen moeten aantasten. Bovendien, sommige van die alternatieven, zoals Hoogland-West, zijn in de campagne door meerdere partijen juist expliciet uitgesloten. Daarmee blijft de kernvraag hangen: als je de bestaande logica van verdichting, lagere parkeernormen en regulering afwijst, hoe organiseer je dan de woningbouwopgave wél?

Dat is de fundamentele zwakte van deze coalitie. Er is wél een gedeelde afwijzing van het bestaande model, maar geen gezamenlijk uitgewerkt alternatief. KeiHart suggereert nog het sterkst dat er dan misschien minder gebouwd moet worden, maar juist dat brengt de partij in conflict met de scharnierpartijen. VVD en AVV willen wel ruimte voor de auto behouden, maar zeggen veel minder helder wat dat betekent voor aantallen, dichtheid en ruimtelijke keuzes. Daardoor ontstaat niet één positief verhaal, maar een stapeling van verschillende gradaties van onvrede.

Het tweede grote spanningsveld zit op mobiliteit. Ook hier is de gezamenlijke kritiek sterker dan de gezamenlijke visie. VVD en KeiHart willen de auto veel duidelijker beschermen in het mobiliteitsbeleid. AVV zit daar politiek dicht bij. Maar de ChristenUnie heeft juist een mobiliteitsvisie waarin lopen, fietsen en openbaar vervoer prioriteit hebben. CDA accepteert ook dat de huidige ruimtelijke opgave bepaalde mobiliteitskeuzes afdwingt. Amersfoort2014 wil wel correctie, maar ook daar is het accent vooral procedureel en gebiedsgericht. Dat betekent dat deze coalitie zich wel kan vinden in het afremmen of terugdraaien van parkeermaatregelen, maar veel minder in het antwoord op de vraag hoe de ruimte dan wél moet worden verdeeld.

Het derde spanningsveld is het sociaal domein. CDA en ChristenUnie hebben beide een duidelijke oriëntatie op een beschermende en maatschappelijk ingebedde stad. Zij zien de gemeente niet alleen als bestuurder, maar ook als drager van zorg en gemeenschapszin. KeiHart kan daar op onderdelen nog in meekomen, vanuit leefbaarheid, gewone gezinnen en betaalbaarheid. Maar VVD en AVV trekken in een veel soberder en vrijheidsgerichter richting. Dat betekent dat ook hier de gedeelde negatieve agenda — kritiek op de huidige koers — veel sterker is dan een gezamenlijke positieve agenda op zorg, bestaanszekerheid en ondersteuning.

Het vierde spanningsveld is het AZC-dossier. Ook daar is de gedeelde kritiek op het huidige proces groter dan de overeenstemming over wat er dan wél moet gebeuren. ChristenUnie en in mindere mate CDA benaderen dit onderwerp vanuit een verantwoordelijkheidsethiek. Voor andere partijen in deze coalitie ligt de nadruk veel sterker op beperking, draagvlak en afwijzing. Dat maakt AZC niet alleen een lastig dossier, maar een potentieel principiële breuklijn.

En daar komt nog iets bij. Deze coalitie brengt niet alleen scharnierpartijen samen met de anti-parkeerpartijen, maar ook partijen aan de anti-parkeerzijde die onderling niet vanzelfsprekend door een deur kunnen. Sterker nog, AVV en KeiHart botsten in de campagne regelmatig over wie nu de echte anti-parkeerpartij was. Daarnaast heeft deze coalitie weinig ruimte voor afsplitsers, terwijl Amersfoort een rijke geschiedenis heeft van instabiele lokale partijen na snelle groei. Een partij met zo’n uiteenlopende politieke herkomst van o.a. de oprichters roept bovendien vragen op over interne samenhang en bestuurlijke stabiliteit.

Wat betekent dit voor de formatie?

Deze analyse is in de eerste plaats een inhoudelijke. Zij laat zien waar partijen elkaar kunnen vinden en waar de spanningen zitten — op het stadsmodel, op mobiliteit, op sociaal beleid en op AZC.

Maar daarmee is niet alles gezegd.

Want uiteindelijk worden coalities niet alleen gevormd op inhoud, maar ook door mensen. Vertrouwen, persoonlijke verhoudingen, onderlinge irritaties en politieke stijl spelen altijd een rol. Dat is de dimensie die in een analyse als deze buiten beeld blijft, maar in de praktijk vaak doorslaggevend is. Juist in een gefragmenteerde raad, met nieuwe partijen en sterke electorale verschuivingen, is dat een factor die moeilijk te voorspellen is — maar wel bepalend kan zijn.

Er is nog een andere manier om naar deze uitslag te kijken.

Voor mij persoonlijk voelt deze verkiezing namelijk ook als een enorm déjà vu. Rond de eeuwwisseling speelde in Delft, waar ik toen politiek actief was, een vergelijkbaar debat. Tussen 1998 en 2002 draaide de lokale politiek daar vrijwel volledig om de invoering van een autoluwe binnenstad. Vier jaar lang ging het politieke debat in hoofdzaak over één onderwerp.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2002, tegen de achtergrond van bredere maatschappelijke onrust – het was het jaar van Fortuyn - , werd dat thema allesbepalend. Een nieuwe lokale partij, mede opgericht door een bekende Delftenaar, voerde campagne op niets anders dan verzet tegen dat autoluwe beleid. Die partij haalde zes zetels en werd daarmee de tweede partij van de stad, vlak achter de PvdA met 7 zetels.

Toch kwam zij niet in het college.

De bestaande coalitiepartijen haalden de VVD erbij. Niet omdat de VVD het autoluwe beleid afwees, maar omdat zij het in essentie accepteerde, en vooral andere accenten wilde: meer aandacht voor fasering, meer maatwerk, meer oog voor ondernemers. Dat bleek overbrugbaar, omdat het onderliggende model niet ter discussie stond.

De lokale protestpartij bleef buiten het bestuur. En een jaar later viel de fractie al uiteen.

Doe met die parallel wat u wil.

bijsluiter

Chris Mooiweer is een betrokken Amersfoorter (voorzitter SGLA en oud-bestuur D66 Amersfoort) en werkt bij een NGO die zich bezig houdt met lokaal klimaatbeleid. Hij stond bij afgelopen verkiezingen op de kandidatenlijst van D66 Amersfoort.

(maak u bekend met uw volledige naam)

opmerkingen

Steun de Stadsbron!

U steunt ons met een gift via IDeal al met een bedrag vanaf 2 euro per artikel.

Draag bij!