3 reacties

Grimlach 27 De dinsdagen zullen nooit meer hetzelfde zijn

door Arjeh Kalmann

Zeventien jaar lang stonden onze dinsdagen in het teken van de kleinkinderen. Het was de vaste oppasdag.

Vorige week is de jongste vier geworden, en dus gaat ze nu in haar woonplaats Deventer naar de kleuterschool. En de oudste, zeventien, is geslaagd voor zijn eindexamen en gaat na de vakantie in Utrecht studeren. 

Toen die oudste geboren werd, zat ik nog volop in het arbeidsproces, maar ik probeerde op dinsdag zo vroeg mogelijk naar huis te komen om ook nog een klein steentje te kunnen bijdragen aan de opvang. De eerste keer dat ik de voordeur opendeed, hoorde ik mijn echtgenote zeggen: “Daar is opa!” Het duurde even voordat ik doorhad dat ze mij daarmee bedoelde. Best wel confronterend, want opa’s waren in mijn ogen weliswaar vriendelijke maar beslist ook oude mannen, en ik vond het niet opbeurend, zelfs enigszins beledigend om daarmee vereenzelvigd te worden. De weerzin tegen die nieuwe titel verdween overigens vanaf het moment dat de kleinzoon zelf ‘opa’ tegen me zei.

Toen hij naar school ging, fietsten we er samen op dinsdag heen en haalde ik hem ook weer op waarbij we vanwege de speelse capriolen een paar keer lelijk onderuit zijn gegaan. We fietsten over het Van Stolbergterrein en hadden vooral veel lol bij het afdalen van het Ballenbergje. Mannen die willen weten waarom we het zo noemden, moeten er maar eens met volle snelheid vanaf fietsen…

De oudste kleinzoon kreeg een zusje en een broertje die achtereenvolgens van hetzelfde babybedje, dezelfde kinderstoel en van hetzelfde speelgoed gebruik konden maken die nog van onze eigen dochters waren geweest. Met ieder van hen fietste ik op dinsdag naar de supermarkt, langs vaste attractiepunten zoals een vijver met in het kroos verstopte eendjes, een boom met uilenhol. Ieder van hen wist dat de beloning voor het meegaan was dat ze het toetje voor die avond mochten uitzoeken. Ieder van hen wist dat oma het gekozen dessert uiterst kritisch op suikers en vetten zou bekijken, dat ze hoofdschuddend zou zeggen ‘hoe kan je die troep kopen?’, maar dat ze desondanks ’s avonds toch wel een bakje zou meeëten.

En toen kwam er nog een vierde. Die woonde niet, zoals de andere drie, vrijwel naast de deur, maar in Deventer, maar gelukkig werkt haar vader in Amersfoort. Om 10 voor 9 overhandigde hij haar bij het station aan mij, en om 10 voor 6 kreeg hij haar weer terug.

We hadden onze vaste route naar huis, langs het hertje bij de Bergkerk dat zelfs bij sneeuw geen kleren droeg, we zagen het ziekenhuis van week tot week verder gesloopt worden, we zongen onze vaste liedjes, en ja, in onze straat wist ik natuurlijk nooit wat ons huis was. ‘Domme opa’, zei ze, terwijl ze er naar toe stapte en op het raam klopte om oma op haar komst te attenderen.

Oma is misschien wel duizend keer met ze in de Kinderboerderij geweest, in de Dierentuin op een speciale grootouder/kleinkindpas en bij Oliefleur, zoals het grote tuincentrum met de Legospeelplaats bij ons thuis genoemd wordt. Ook andere uitdrukkingen van de kleinkinderen zijn bij ons in het spraakgebruik ingeburgerd: we moeten tampela (tandpasta) kopen, ze komt morgen rogeren (logeren) en omdat de oudste lange tijd de t in plaats van een k zei, zeggen wij nog steeds oté als wij iets oké vinden.

Met ieder van hen heb ik elk droge dinsdagmiddag Park Randenbroek doorkruist. Op zoek naar Indianen, naar hongerige eendjes, plukbare bloemen, naar vissen. En we eindigden altijd in het speeltuintje waar hun moeders als kinderen ook al hadden gespeeld. Tot ons aller verdriet is het grote klim-, hang-, klauter- en glijtoestel onlangs vervangen door een saaie glijbaan. 

Als het geen bosweer was, waren er altijd de lades met teken-, kleur- en knutselspullen waarin ze feilloos de weg wisten. Hele middagen heeft oma met ze gekleid of mooie dingen zitten maken voor de diverse mama’s en pappa’s en onze hele collectie kinderboeken heeft ze in de loop der jaren aan ieder van hen voorgelezen. Heel wat boeken vaker dan één keer. En als ze hun energie even kwijt moesten, was opa altijd beschikbaar voor het rauwere stoeiwerk.
De twee middelsten, die om de hoek op school zitten, komen op dinsdag altijd lunchen en met hun nichtje knuffelen. Ook om 3 uur halen we ze op, al is dat al niet meer nodig. Ons valt steeds weer hoe veel grootouders er op het schoolplein staan te wachten, we kennen elkaar inmiddels allemaal van gezicht en knikken elkaar vriendelijk en begripvol gedag. ‘Ha, collega’. Is wel eens onderzocht hoeveel voorspoed de vaderlandse economie te danken heeft aan de grootouderlijke kinderopvang?

Er staan trouwens ook oude schoolvriendinnen van onze dochters op het plein op hun eigen kroost te wachten, hetgeen ons op de een of andere manier steeds weer ontroert. Het leven gaat door, wij zijn naar de periferie van de generatieketen aan het schuiven, onze eigen ouders zijn daar al vanaf gevallen, en onze kinderen staan nu in het centrum.

Het oudste kleinkind schuift op dinsdag ’s avonds voor het eten aan. De maaltijden met z’n zessen zijn rumoerig maar o zo dierbaar. Het is altijd vechten om wie de toetjes uit de ijskast mag halen. Vrijwilligers voor de afwas zijn daarentegen nooit te vinden.

En nu is het dus afgelopen. De jongste is niet meer van de partij, en na de zomervakantie is de vaste oppasdag helemaal van de baan. Einde van een tijdperk. 

We wilden laatst het trapautootje en het looppaardje – allebei inmiddels hoogbejaard – naar de kringloop brengen, maar onze jongste kleinzoon verbood ons dat verontwaardigd. “Waarom?”, vroegen wij. “Jullie zijn daar toch inmiddels veel te groot voor.”
“Ja,” zei de jongen van zeven, ”dat is wel zo, maar wij krijgen óók een keer kinderen!”

autootje en paardje 2.jpg

opmerkingen

(maak u bekend met uw volledige naam)