De kunstenaar markt en inkomen

door Ron Jagers

Wikipedia is een prettige bron. Je kan er van uitgaan, dat de definiëring of omschrijving van een begrip door gezaghebbenden op dat terrein onderschreven wordt. Neem nu het begrip professie of beroep. Wat schrijft Wikipedia:
“Een beroep of vak, ook wel aangeduid als stiel, metier (van het Franse ‘métier’) of professie, is een samenhangend geheel van arbeidstaken die voor de uitvoering een bepaalde vakkennis en -kunde vereisen, en dat losstaand van de individuele beroepsbeoefenaar kan voortbestaan en voor de maatschappij herkenbaar is. Een beroep bepaalt mede de positie van de beoefenaar in de sociale structuur.
In zijn algemeenheid is het een type bezigheid die men pleegt te doen om een inkomen te verwerven. Het maakt niet uit of deze bezigheid als werknemer, ambtenaar of als ondernemer worden uitgevoerd. Soms wordt het begrip uitgebreid tot de dagelijkse bezigheden die al dan niet tegen betaling worden uitgevoerd.” En “Beroepen bestaan misschien al zo lang als de mensheid. Voordat er geld was uitgevonden bestonden er al functies als stamhoofd, jager en medicijnman. Later ontwikkelden zich beroepen als krijger/soldaat, priester, landbouwer, visser, koopman. Concentratie van rijkdom, maakte het mogelijk dat beeldende kunstenaars en musici van hun kunst hun beroep konden maken.”
Kort samengevat: beeldend kunstenaar is een beroep, waarmee de beoefenaar zich inkomen verwerft.

Januari 2018. Onder auspiciën van de BKNL (Beeldende Kunst Nederland) verschijnt ‘Een collectieve selfie 3
Nog beter zicht op Beeldende Kunst’. De BKNL wil met dit rapport een beter zicht krijgen op de inkomenspositie van beeldend kunstenaars in Nederland. En dat doet het rapport ook. Er staat interessant cijfermateriaal in, dat eigenlijk iedere beeldend kunstenaar zou moeten lezen.

Het rapport laat met cijfers zien dat de inkomenspositie van de beeldend kunstenaar verre van rooskleurig is. De beeldend kunstenaar die volledig van zijn werk moet leven heeft er een harde dobber aan. Toch mist het rapport een invalshoek. In het tweede deel van het rapport wordt het enigszins aangestipt: “Let op: dit zijn allemaal verdiensten als werknemer in loondienst. Wat alumni (van kunstacademies, RJ) verdienen die zelfstandig werken weten we (voorlopig) dus niet. Het is ook niet duidelijk waarmee ze dat verdienen, met kunst maken of met iets anders, waarschijnlijk beide.” En als de onderzoekers al de verdienste weten - een onderzoek onder alumni van de Rijksacademie laat een gemiddelde verkoopprijs van € 24.235,- zien - dan nog weten zij niet wat uiteindelijk het netto jaarinkomen is. Want hoeveel is er verkocht, welk deel gaat naar de galerie/verkopende instantie, welke verkoopkosten zijn er gemaakt, wat is de kostprijs? Op die vragen geeft het rapport geen antwoord.

Er kan lang en veelvuldig gesproken worden over de inkomenspositie van de beeldend kunstenaar, de beeldend kunstenaar zelf heeft hierin ook een rol te vervullen. Heeft de kunstenaar de cijfers op een rij? Kent hij de kostprijs van zijn werk? Heeft hij de verkoop op een rij? Via welk kanaal verkoopt hij of zou hij kunnen verkopen? Wat wordt zijn bruto-omzet na aftrek van de verkoopkosten? Dit soort vragen zijn niet beantwoord in het rapport.

Enquête

Om hier enig zicht op te krijgen is een peiling gedaan onder beeldend kunstenaars. Aangeschreven zijn die kunstenaars, die lid zijn van een beroepsvereniging voor kunstenaars, kunstenaars die door een professionele galerie worden vertegenwoordigd en kunstenaars wier werk aangeboden werd op kunstbeurzen. De vragenlijst is naar 1.600 mailadressen verstuurd. Hoeveel mensen daadwerkelijk de mail ontvangen hebben is lastig na te gaan. Mailadressen kunnen verouderd zijn, spamfilters kunnen de mail tegenhouden. Laten we aannemen dat 1.400 kunstenaars de vragenlijst hebben ontvangen. Een goede response zou tussen de 10 en 15% moeten liggen. Dat is niet gelukt. In totaal hebben 105 kunstenaars gereageerd. De peiling was onderverdeeld in twee delen. De eerste vragenlijst ging over verkoop, waarbij dus 105 respondenten. De tweede vragenlijst ging over de kostprijs. Daar beantwoordden slechts 23 kunstenaars de vragenlijst. Ook was beantwoording van vragenlijst 2 verre van volledig. Gelet op het aantal respondenten kunnen die uitkomsten slechts dienen als een indicatie. Hopelijk wel een indicatie voor een onderzoeksbureau om het echt te gaan uitzoeken.

Het leeuwendeel van de ondervraagden moet van zijn kunst leven, maar heeft wel elders emplooi of andersoortige klussen om het inkomen bij elkaar te krijgen. De kunstenaars die echt van hun kunst kunnen leven blijft beperkt tot 11%. (Hierbij moet in ogenschouw genomen worden dat de peiling een momentopname is. De spoeling wordt vermoedelijk al veel dunner als de vraag betrekking had gehad over een periode van 5 of 10 jaar). De cijfers maken het geheel nog minder florissant. Inderdaad, 10% haalt een omzet die boven de € 20.000,– ligt. Kijken we naar de verkoopkanalen, dan verkoopt 35% zijn werk via een beurs of galerie. Veel kunstenaars die aangeven dat zij kunnen leven van hun kunst verkopen hun werk via de galerie/beurs. Van de € 20.000,– moet dus nog zo’n 45% af. Dan blijft over € 11.000,– inclusief (tot voor kort nog) 6% btw. Resteert dus een bruto omzet van afgerond € 10.400,–. De andere omzetgroepen indiceren dat de meesten gemiddeld slechts een € 5.000,– bruto omzetten. In deze groep zitten de meesten die de verkopen via het atelier realiseren en die dus geen provisie kwijt zijn. Degenen die met deze omzetten via beurs/galerie verkopen leveren ook nog provisie in. Die rekensom kan nu iedereen maken. Het is evident dat deze groep zal moeten hosselen of ergens anders, bijvoorbeeld als docent, emplooi zal moeten vinden. Om te zien of de bruto-omzet ook leidt tot daadwerkelijke inkomsten was vragenlijst twee bedoeld.

Zoals als eerder gezegd, de vragenlijst is een peiling. Geen wetenschappelijk verantwoord onderzoek. Zo kan ik de vraag niet beantwoorden of de respondenten een echt goede weerspiegeling vormen van de kunstenaarspopulatie of dat toch vooral de ‘onderkant’ van de kunstenaarspopulatie heeft gereageerd. Ook in dat geval is de vragenlijst wel een goede indicatie. Immers, als we kijken naar de macro-onderzoeken van de BKNL, dan zien we dat het merendeel van de kunstenaars grote moeite heeft om de eigen broek op te houden met kunst alleen. In dat opzicht is het verontrustend om te zien dat slechts een klein deel geantwoord heeft op het tweede deel van de vragenlijst, en dan nog onvolledig ook. Verontrustend, omdat daaruit de sterke indruk ontstaat, dat kunstenaars niet of nauwelijks weten wat hun kostprijs is; ze kennen in slechts zeer beperkte mate de cijfers die nodig zijn om dat vast te stellen. Wat alle respondenten weten: zij maken géén reservering voor de oude dag en ze maken geen reservering voor de arbeidsongeschiktheid. Sommige respondenten zeggen: wij werken van huis uit, dus we hebben geen atelierkosten. En dus ook geen energiekosten. Zakelijk gezien een misvatting. En veel respondenten hebben moeite met het vaststellen van de uren die ze effectief besteden aan kunst maken en uren die bestemd zijn voor randvoorwaarden (zoals bijvoorbeeld de administratie). Slechts een enkeling is in staat om aan te geven hoe groot de productie in 2017 (het peiljaar waar naar gevraagd werd) was. 

De volgende conclusie mag ik wel aan de peiling verbinden. De respondenten hebben slecht zicht op de cijfers die hun kostprijs bepalen. De facto kunnen zij ook niet vaststellen of de gevraagde verkoopprijs de kostprijs weerspiegelt, eronder of erboven zit. Bij een enkel geval bij de respondenten kan je al zien dat hun verkoop ver achter blijft bij hun kosten. Ik vermoed, dat menig kunstenaar zijn kunst structureel ver beneden de kostprijs aanbiedt. En dat kan ie vermoedelijk doen, omdat de inkomsten van elders komen. Zou iemand zo handelen op de ‘echte’ markt, dan zou hij al snel een faillissement moeten aanvragen.

Kunstenaars en markt

In de wereld van de markteconomie is men toegegroeid naar een belangrijk basisbeginsel: de markt - vraag en aanbod - is in staat om alles te reguleren. Althans, zo zouden de neo-liberalen het graag zien. Bestuurders die deze denkrichting aanhangen willen alles onder het regime van de markt brengen: de energievoorziening, de zorg en dus ook de kunsten. Voor zover het om de kunsten en de kunstenaars gaat lijkt me deze opvatting niet houdbaar. Voor de autonoom uitvoerend beeldend kunstenaar bestaat er geen markt. Althans niet zo’n markt als in het neo-liberalisme wordt voorgeschoteld. De kunstenaar produceert niet om zijn winsten te maximaliseren, of zijn marktaandeel te vergroten of... De kunstenaar produceert omdat hij vindt dat het beeld gemaakt moet worden. En natuurlijk, ook een kunstenaar is niet vies van geld om in zijn levensonderhoud te voorzien. Maar daar zit zijn drijfveer niet. (Behalve dan bij Klibanski, want die wil geen armoedzaaier zijn; hij noemt zichzelf dan ook geen kunstenaar maar artist.)

De prijs van een bepaald goed wordt bepaald door de markt. In de economische theorie wordt vaak gewerkt met het model van een markt met volkomen concurrentie (een zogenaamde perfecte markt). Een korte samenvatting van deze economische theorie vind je op Wikipedia.
“De markt met volkomen concurrentie is een ideaaltypische abstractie, waarbij sprake is van:

  1. Een groot aantal vragers en een groot aantal aanbieders (de aantallen zijn zo groot dat geen enkele individuele vrager of aanbieder ook maar de minste invloed kan uitoefenen op het prijsvormingsproces);
  2. Er wordt een homogeen product verhandeld (alle producten die gekocht of verkocht worden zijn in de ogen van resp. kopers en verkopers volkomen identiek en uitwisselbaar);
  3. De markt is doorzichtig ofwel transparant (vragers en aanbieders hebben alle informatie);
  4. Er is vrije toetreding en uittreding mogelijk (iedereen kan zonder enige belemmering als vrager of als aanbieder gaan optreden).

Op een dergelijke markt komt het evenwicht tussen vraag en aanbod tot stand door prijsvorming: de evenwichtsprijs is die prijs waarbij gevraagde en aangeboden hoeveelheden precies aan elkaar gelijk zijn. De marktwerking zorgt ervoor dat op zo’n markt optimaal tegemoetgekomen wordt aan de behoeften van de consument, terwijl de producent maximale winst behaalt. Ook ontstaan er tegenkrachten om de macht van sommigen (zowel vraag als aanbod) te neutraliseren, zoals beschreven in Galbraiths boek over countervailing power.

In de praktijk zal aan het ideaaltype van volkomen concurrentie nooit voldaan worden. Wanneer er in belangrijke mate aan bovenstaande eigenschappen niet is voldaan, spreekt men van marktfalen.”

Aldus. En hoe zit het dan met de kunsten? Vooral met de beeldende kunsten? Wordt er aan de voorwaarden voldaan?
Vooraf dient te worden opgemerkt, dat we het hebben over de “markt” waarop de kunstenaar als aanbieder actief is. Er bestaat ook een andere markt, bijvoorbeeld die van de veilinghuizen. Maar daar treden de kunstenaars niet op als aanbieder. Het zijn vooral handelaren die zich op die markt begeven. Andere koek dus.

Laten we beginnen bij punt vier. Ja, er is vrije toetreding en uittreding mogelijk. Het is zelfs zo vrij, dat iedereen – geschoold of ongeschoold, gecertificeerd of niet gecertificeerd, lid van een vereniging of geen lid van een vereniging, enzovoorts – zich kan melden als kunstenaar. Het is aan eenieder vrij om te kopen wat ie wil. En het is aan de onderkant van de “markt” een drukte van jewelste. Met aanbieders wel te verstaan. Niet met kopers.

Punt drie. De markt is doorzichtig en transparant. Helaas pindakaas, hier scoort de kunstensector zeer laag. Sommige delen van de markt, en dan met name het lagere segment, ogen wel transparant. Transparant ogen is wat anders dan transparant zijn. Bij de duurdere en topsegmenten is het volstrekt onhelder.

Punt twee, er wordt een homogeen product verhandeld. Op dit punt scoort de kunstenmarkt natuurlijk voor geen meter. Er zal geen kunstenaar zijn die als kunst heeft het exact kopiëren van het werk van de buurman. Iemand die als kunst identieke, uitwisselbare objecten heeft telt in het westen niet mee als kunstenaar.

Punt een is een beetje vreemde eend in de kunstenbijt. Immers, er is maar één kunstenaar die één unicaat aanbiedt (of iemand werk in oplage maakt is niet zo relevant in deze). Er is ook maar één potentiële koper voor. Vrager en aanbieder hebben directe en grote invloed op de prijs. Er is geen sprake van prijselasticiteit.

Nu zullen criticasters zeggen: jawel, er zijn wel degelijk veel aanbieders, want veel werk dat aangeboden wordt is over één kam te scheren. Nu lijkt deze opvatting dus over markt en prijsvorming te gaan, maar in feite gaat die daar niet over. In feite wordt gesteld dat een kunstenaar geen kunst maakt, want het werk is inwisselbaar. In deze situatie moeten we dus niet over geld en prijsvorming praten, maar over goede en slechte kunst.

Samenvattend: op de vier kenmerken van een markt scoort de kunstensector slecht tot zeer slecht. Er is maar een conclusie mogelijk. Er bestaat geen markt voor kunst in de zin van de gangbare economische opvattingen over markt. Althans vanuit de optiek van de kunstenaars. Een direct gevolg is, dat er ook geen prijselasticiteit voor kunst is. Een kunstwerk aanbieden voor € 900,- en het verkoopt niet? Een korting aanbieden van 10% zal niet helpen. Een korting van 20% zal ook niet werken. Datzelfde geldt bij kunstwerken boven de € 10.000,- of € 100.000,-. Er is geen sprake van prijselasticiteit, van prijsvorming door de markt. Uniciteit, bijzonderheid en status zijn de factoren die de prijs beïnvloeden. Voor iets bijzonders met veel status tast men wat dieper in de buidel.

De wet van Baumol

Een kenmerk van het kapitalistische productieproces gekoppeld aan markt, is dat de producent een voorsprong kan creëren op de concurrentie door een geoptimaliseerder productieproces te gebruiken. Daardoor kan de producent onder de prijs van de concurrent komen, zonder de kwaliteit te verliezen.
De kunstproductie mist dit kenmerk. Hier geldt de Wet van Baumol. Met uiteraard een direct gevolg voor de prijs. De productie van goederen kan steeds efficiënter worden verricht. Robots en fabricagetechnieken dragen daar bijvoorbeeld aan bij. In de dienstensector is zo ’n productiviteitsstijging veel moeilijker te bewerkstelligen. In de kunstensector al helemaal niet. Het bekende voorbeeld is een strijkkwartet dat Beethoven niet sneller kan spelen, of met minder personen. De enige manier om in de kunstensector de prijs naar beneden te krijgen is door amateurs in te schakelen, of door de professionele kunstenaar af te knijpen.

Markt voor kunsthandelaren

Er zijn een aantal kunstenaars die zich de situatie terdege bewust is. De situatie is in dit geval, geen markt voor kunst waar kunstenaars actieve aanbieders zijn maar wel een markt voor kunsthandelaren, die objecten van kunst willen verkopen. Op dit terrein is Jop Ubbens actief. Ook hij signaleerde onlangs in een lezing voor het Singer Museum in Laren dat je de facto niet kunt spreken over één markt. Samenvattend stelt hij: er zijn honderden onderscheidende kunstmarkten die grosso modo in vieren kunnen worden verdeeld. 1. de lokale markten, marktplaats, catawiki, 2. De nationale middenmarkt van tussen de € 1.000,- en € 30.000,-/50.000,-. 3. De internationale middenmarkt tot ongeveer 1 miljoen euro en 4. de 1 miljoen plus markt of misschien wel de 10 miljoen plus markt.
Daar waar de handelaar in beeld komt, op die plek ontstaat er iets van een markt in termen van de geldende economische opvatting. De handelaar groepeert de kunstwerken. Waar de kunstenaar het over één kunstwerk produceert, laat de handelaar een groep van kunstwerken zien - thema’s, bijvoorbeeld zeegezichten, of Chinese kunst of... De handelaar balanceert op het koord: enerzijds zal hij bij de verkoop de uniciteit onderstrepen, anderzijds zal hij zeggen dat bij verkoop van dat ene kunstwerk zijn voorraad niet op is. Op meta niveau probeert de handelaar de eigenschappen van een markt te introduceren. Let op, ook daar schuurt het aan de randen. Om een voorbeeld te noemen. Prinses Christina heeft onlangs een Rubens laten veilen. Er waren op dat moment maar drie partijen actief. De Prinses en twee bieders. Zo groot is dus de metamarkt.

Kostprijs en verkoop bij kunstenaars

Voor de doorsnee kunstenaar tellen dit soort mechanismen niet. Zij zijn kunstenaar en maken een werk met heel hun ziel en zaligheid. En ja, ze hopen het ook te verkopen. Brood op de plank is heel niet slecht, toch? Maar wat moeten ze er voor rekenen? Wegens het ontbreken van een echte markt is het gokken. Het is geen gok om vast te stellen wat een kunstwerk zou moeten kosten. Er is voor ieder werk een kostprijsberekening te maken. Er zijn verschillende benaderingen voor met verschillende uitkomsten, maar alle benaderingen hebben het in zich om tot een prijs te komen, waarbij bij realisatie van die prijs er een goede boterham op tafel ligt.

En bij die realisatie van de prijs zit het knelpunt. Voor het publiek met de geldbuidel ligt er geen prioriteit voor kunst. Eerst een goede woning en goed eten. Dan drie keer op vakantie naar het buitenland in een degelijke auto of met het vliegtuig. En ergens onderaan bungelt de voorkeur voor kunst in huis. Het is de eerste en tweede wet van Gossen. Grensnut. Het consumentisme zit in het westen stevig tussen de oren, en bij de bepaling van het grensnut door consumenten gooit de kunst geen hoge ogen.

Markttheoriën helpen ons niet veel verder om iets zinnigs te vinden op de prijsvaststelling. Zakelijk denken en kostprijsberekening is in ieder geval het eerste wat een kunstenaar zou moeten doen. Wat kost het om een kunstwerk te maken. Dat geeft een kunstenaar handen en voeten om een prijs vast te stellen, waarbij de kunstenaar weet: als ik deze prijs realiseer ga ik niet failliet. Ik zie regelmatig een kunstenaar met prijzen waarbij je op je klompen aanvoelt: die gaat hier op toe leggen. Sociaal bewogen als menig kunstenaar is komt het weerwoord: maar kunst moet er voor iedereen zijn. Dat mag dan zo zijn, maar dat hoeft toch niet tot elke prijs? En waarom zou de kunstenaar die prijs moeten betalen. Onzin. Stel je kostprijs vast. Verdisconteer daarin een schappelijke vergoeding voor jezelf. Laat je niet gek maken door marktadepten, als die zeggen dat je prijs te hoog is, het is namelijk je kostprijs. En dan nog. Je hebt je kostprijs, maar alleen verkoop leidt tot realisatie. In dat opzicht is de rekensom van Jeroen van Merwijk, cum laude afgestuurd aan de academie in Den Haag, tekenend.

Een korte samenvatting uit zijn boekje ‘Meneer Van Merwijks laatste woord over kunst % cultuur. Daarna kan iedereen weer gaan twitteren!’
Jeroen heeft een afspraak met Pulchri Den Haag over een solo.
De expo bevat 20 illustraties gemengde techniek met bijpassend gedicht. 50 x 65 centimeter. Hij heeft vier maanden lang aan een stuk gewerkt, ± 10 uur per dag. Dat is 70 uur in de week, dat is 280 uur in de maand, en dat vier keer. Is 1120 uur. Hij heeft daarvoor een atelier in Frankrijk gehuurd.
Jeroen is bij een deskundige over prijzen van kunst langs geweest. Die adviseerde € 1.500,- per prent. 20 x € 1.500,- = € 30.000,- Galeriekosten 50%, dus Jeroen houdt er bruto € 15.000,- aan over. Dat is zo’n dikke € 13,- bruto per uur. Btw 6% moet daar vanaf. Pensioenvoorziening moet daarvan af. Inkomstenbelasting moet daarvan af. Atelierkosten moeten daarvan af.

Jeroen verkeert in een circuit, waarbij je mag aannemen dat de adviseur er eentje is die van wanten weet. Niet eentje op het niveau van het galeriewezen in Amersfoort, Maar eentje die weet waar Abraham internationaal de mosterd haalt. Jeroen heeft op de Pulchri tentoonstelling uiteindelijk 0 illustraties verkocht.
Hier helpt geen galerist/adviseur over prijzen. Hier is wat anders aan de hand.

Wat nu?

Tegen deze achtergrond is het ook helder, waarom de tweede peiling zo weinig response heeft gehad. De kunstenaar heeft vermoedelijk de cijfers niet op een rij en zeker niet paraat. Ik vermoed dat het hem bovendien ook matig interesseert. Ten onrechte denk ik, maar het is nu eenmaal zo.

Maar wat staat de kunstenaar te doen die én goede, autonome kunst wil maken én die daar een boterham mee wil verdienen. De markt opgaan en als koopman spelen werkt niet. Te lage prijzen werkt ook niet. Hier leg ik mijn oor weer even te luisteren bij Jop Ubbens. Bij de miljoenendeals gaat het volgens Jop eerst om geld en dan om kunst. Een treetje lager ligt dat anders. Verzamelaars geven om hun kunst. En natuurlijk, geld en aanzien spelen mee, maar de liefde voor de kunst is nadrukkelijk aanwezig. En in dit segment en de lagere segmenten geldt: “the price of art is the price of irrational desire”. Aldus Jop. Maar ook dit segment is voor de meeste kunstenaars niet weggelegd. Daar kom je niet zomaar. Dat is de weg via de topgaleries en scouts. Dat je daar niet zomaar komt bleek wel tijdens de Rotterdam Art Fair. De actoren in dit segment lieten zich wel zien op de officiële beursvloer. Maar de galeries die zich hadden verzameld in de Cruise Terminal met Qade solo mochten zich niet verheugen in een groot aantal koopbelangstellenden.

The price of art is the price of irrational desire. Ligt daar niet de sleutel voor de kunstenaar? Strikt eigenwijs de eigen beeldende marsroute volgen, daar trots op zijn en dat tot uitdrukking laten komen in de prijs. Zoek daarbij gelijkgestemden en laat met trots en overtuiging zien wat je aan het doen bent: prikkel het irrationele verlangen!

Literatuur/bronnen

Lezing Jop Ubbens - De hedendaagse kunstmarkt in als zijn geledingen, 3/2/2019
Jeroen van Merwijk - Meneer van Merwijks laatste woord over kunst & cultuur. Daarna kan iedereen weer gaan twitteren
BKNL - Een collectieve selfie 3, Nog beter zicht op Beeldende Kunst
Wikipedia - over markt
het economielokaal - over marktvormen
Heertje - de kern van economie. (digitaal beschikbaar bij de DBNL)
De wet van Baumol - NRC 2007

afbeelding 1.jpgafbeelding 2.jpg

afbeelding 3.jpg

afbeelding 4.jpg

afbeelding 6.jpg

afbeelding 7.jpg

afbeelding 8.jpg

afbeelding 10.jpg

afbeelding 12.jpg

afbeelding 13.jpg

afbeelding 5.jpg

opmerkingen

  • nog geen reacties